Oostenrijk

Informatie

Club Activiteiten

Kalender

Geplande activiteiten

Vlamingen stellen zich Voor, taal tips,  boeken recensies, etc

Links  |  Impressum  |  Startpagina  |  wil gebeld worden  |

E-mail kontakt  |  brochure  |  Tel 0043 662 450822

 

Tu, Felix

Home

Over_ons

Culturele_Agenda

Foto´s

Informatie

Links

Contact

De bedoeling van deze pagina is boek en artikel besprekingen weer te geven die op een of andere manier verband houden met België, Vlaanderen, Nederland en /of Oostenrijk. Liefst nog met de relatie tussen deze contreien. Het spreekt vanzelf dat de volledige verantwoordelijkheid van de inhoud van de bespreking bij de recensent ligt.

 

Dit is tevens een uitnodiging voor de leden die een interessante publicatie tegen het lijf lopen om een dergelijk commentaar te schrijven en dit mij ter publicatie op te sturen. Qua thematiek moeten we ons echter, wegens plaats gebrek, wel beperken tot de hoger geschetste contouren.

 

De lezer kan ook reageren via ons Facebook forrum op http://www.facebook.com/groups/viw.austria/,

 

==========================================================================================

Ons VIW- lid Roel Verschueren bespreekt en draagt voor uit zijn boek ´Er schweigt wenn er spricht´ tijdens het O-töne- literatur festival in het Museumquartier op  28 juli in Wenen.

 

Martin Prechelmacher bespreekt het boek en de voorlees sessie van de auteur;

 

Martin Prechelmacher studiert Germanistik in Wien und Konstanz. Seit Juni 2011 ist er Chefredakteur von Volltext Blogbuch.

 

 

 

Er schweigt, wenn er spricht

 

by Martin Prechelmacher on Juli 29, 2011

VerschuerenMQ

 

Schweigen, so Roel Verschueren in einem Interview, ist auch nur eine Form von Sprechen. Und entsprechend tat er bei seiner Lesung am Donnerstag vor allem eines: eben Schweigen. Und Zuhören – seinem Übersetzer, dem Schauspieler Titus Selge nämlich.

 

Ganz so wie Melinda Nadj Abonij beginnt auch Verschueren die Lesung in seiner Muttersprache, Niederländisch. Und auch hier klingt es bewusst gesetzt, scheint die fremde Vertrautheit mit dieser Sprache auf eine zentrale Thematik des Buches zu deuten: Die hierzulande meist unbeachtete Flämische Legion, die sich in einer ähnlichen Konstellation bildete wie die – ebenso unbeachtete – Österreichsiche Legion. Und dennoch fasst Markus, der Schwiegervater des Protagonisten präzise zusammen: „Bei uns [in Österreich] war es ganz anders“.

 

Victor, der Sohn Alberts, versucht der NS-Vergangenheit seines Vaters auf die Spur zu kommen und gleichzeitig ihrer Herr zu werden. Dabei rennt er, wie der Titel – Schweig, wenn du sprichst - vermuten lässt, gegen eine Mauer aus Schweigen. Zu genau weiß Verschueren jedoch, dass es nicht nur eine Art des Schweigens gibt und so portraitiert er in seinem Buch gleich eine ganze Typologie: tonloses, sprechendes, seufzendes, zuweilen aktives aber immer ignorierendes, ausweichendes, beschützendes  Schweigen. Und natürlich: lautes, streitendes aber zugleich gesundes Nicht-Schweigen in Victors eigener Beziehung. Gegensatz muss sein!

 

Zu genau weiß Verschueren wohl auch, dass es bereits tausende Bücher dieser Grundkonstellation gibt. Schweig, wenn du sprichst geht allerdings über sie hinaus, nicht, indem er den Fokus auf die privaten Schwierigkeiten lenkt, auf familiäre Konstellationen oder durch die Überlagerung der Gegenwart mit Dokumenten aus der Vergangenheit – all das gab es bereits- sondern in der Geisteshaltung. Diese lässt sich wohl am besten mit dem englischen „Get over it!“ beschreiben. Verschueren, anders als Sabine Gruber, die unreflektiert Zeitgeschichte anhäuft, scheint mit einem grundsätzlichen Skeptizismus gegenüber der Vergangenheit aufgefüllt. Zumindest lässt er Victor über die Österreicher sagen, sie seien Besessen von ihrer Vergangenheit und wünscht laut Daniela Strigls Einleitung den Österreichern ein Meer – das würde ihr Gemüt vielleicht aufhellen. Gerade in einem literarischen Diskurs, der von ‘Vergangenheitsbewältigung’ überfließt ist das eine erfrischende – und dringend nötige – Ergänzung.

 

Genauso wie die Stimme Titus Selges an dem an dieser Stelle ein großes Lob auszusprechen ist. Noch nie fühlte ich mich während einer Lesung so in einen Text hineinversetzt, als würde ich ihn gerade lesen – bis jetzt! Selges Schauspiel erprobte Vortragsweise, die sich in die Charaktere hinein bohrte und aus ihnen heraus sprach, die gleichzeitig nicht vergaß auf eine gewisse Komik der Erzählstimme, war wohl das beste, was diesem Buch passieren konnte. Nur die das Tagebuch Luzies kam etwas zu dümmlich rüber. Dennoch: Viele Autoren täten besser daran, das Lesen anderen, Schauspielern zu überlassen, und sich auf’s schreiben zu konzentrieren.

 

 

Iemand heeft ooit eens gezegd dat, als je ´België ´begrijpt, dan is het jou niet goed uitgelegd. Als een buitenlander probeert België uit te leggen aan zijn landgenoten, dan is het uitkijken. In dit geval, is dat dan ook volkomen terecht. De auteur leeft in België, en is correspondent voor allerlei Spaanse publicaties, dagbladen, naar eigen zeggen meermaals bekroond (in Spantje) voor zijn werk als correspondent in het buitenland. Hij is getrouwd met een ´Vlaamse´. Dit zou dan garant moeten staan voor een objectieve voorstelling van zaken. De titel laat ook iets dergelijks vermoeden,´ België het laboratorium voor het nationalisme´. De ondertiteling  ´ ceci n ést pas un pays´, is een kwinkslag naar de surrealistische levenshouding van de Belgen. Op het einde van zijn verhaal wordt echter duidelijk wat de intentie is van de schrijver, namelijk bewijzen dat het de Vlamingen zijn die de doodgravers zijn van dit prachtige land.

De eerste hoofdstukken echter ziet het er naar uit alsof de schrijver een correcte weergave wilt geven  van de  Belgische problematiek. Jacobo de Regoyos probeert een geschiedkundig overzicht te geven van de Lage Landen. Een enigszins geïnformeerde lezer valt onmiddellijk de onnauwkeurigheden op van de geciteerde gegevens; zo plaatst de auteur de Guldensporenslag in 1312 bijvoorbeeld, hebben we niet zes maar zeven regeringen, was Joris van Severen de leider van het VNV enzovoorts. De echte rol van de Spaanse bezetting en de val van Antwerpen 1585 zijn schromelijk onderbelicht, maar wat twijfel doet rijzen aan de eerlijke bedoelingen van het auteur,  is de poging om de collaboratie in België tijdens de tweede wereldoorlog volledig in de schoenen van de Vlamingen te schuiven. Degrelle wordt terloops vermeld, maar de lezer krijgt een vertekend beeld gepresenteerd. Het loopt echter volledig de spuigaten uit als de auteur probeert het Brussels probleem uit de doeken te doen! De Vlamingen zijn de booswichten hier, niet alleen kwaadaardig maar ook dom en handelend tegen hun eigenbelang.

 Soms neemt het relaas echter  gemene trekjes aan, als de manier waarop de Franstaligen in de rand van Brussel met het Apartheid systeem van Zuid Afrika wordt gelijkgesteld. ´Apartheid´is overigens een Nederlands woord, vermeldt de auteur fijntjes tussen haakjes, met ander woorden, dit soort discriminerende regimes zit de Vlamingen in de genen. De schrijver schuwt inderdaad de grote woorden niet; het regime rond Brussel is, volgens hem, vergelijkbaar met de nazi-dictatuur. Hij noemt het georganiseerde discriminatie. Een vergelijking met het Franco regime laat de auteur kies achterwege! Hij gaat zelfs nog een stapje verder door  te suggereren dat de eigenlijk Franstaligen geen Frans durven spreken op straat, uit angst voor represailles. Hierdoor is het werkelijke aantal Franstaligen, die in de rand rond Brussel wonen, onbekend  en volgens de schrijver vele malen hoger dan het officiële aantal . Het eigenlijke aangekondigde onderwerp, ´België als laboratorium voor nationalisme´, komt echter maar dunnetjes uit de verf!

Jammer, Spaans is een wereldtaal met een enorm lezerspubliek en dit i boek is de enige publicatie in de Spaanse taal over dit onderwerp. De Spaanse lezer wordt hier op een ongenuanceerde manier over Vlaanderen geïnformeerd en dat is voor ons land een slechte zaak. Spanje gaat overigens ook niet al te kieskeurig met zijn minderheden om (Baskenland, Catalonie, Galicie). Van die kant hebben we denk ik geen lessen nodig. Misschien wel een bekentenis dat vanuit een historisch perspectief de Spaanse bezetting eigenlijk aan de oorsprong ligt van de speciale problematiek van België. Hier over zwijgt het boek echter in alle toonaarden.



Wim Schols
Belgistan, El Laboratorio Nacionalista

ceci n´est pas un pays.

eerste uitgave 2011, Editorial Planeta S.A. , Avda Djiagona, 662-664 Barcelona
Auteur; Jacobo de Regoyos
ISBN 978-84-344-6946-4
Taal: Spaans, met vele referenties naar de Belgische Pers.
==========================================================================================
==========================================================================================
Dialecten in kaart gebracht

De ontwilkkeling van de dialectcartografie

Deze maand is een dialectatlas van het Nederlands, met speciaal hiervoor getekende nieuwe kaarten verschenen.

Artikel van Nicoline van der Sijs

In de negentiende eeuw kregen taal­kundigen voor het eerst wetenschap­pelijke belangstelling voor dialecten.Ze begonnen met het vergaren van woordjes die kenmerkend waren voor een bepaalde plaats in het land. Daarna kwamen er onderzoekers die teksten gin­gen verzamelen uit het hele Nederlandse taalgebied om de verschillen en overeen­komsten tussen de dialecten te achter­halen. Johan Winkler vertaalde daarvoor met hulp van talloze Informanten de ge­lijkenis van de verloren zoon (Lukas 15:1- 11) in 186 Nederlandse en Friese dialec­ten in Nederland, Vlaanderen en Duits­land, en publiceerde het resultaat in 1874 in zijn tweedelige Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.
Aan het eind van de negentiende eeuw kwam een nieuwe onderzoeks­methode op waarmee men dialectver­schillen beter en systematischer kon beschrijven: de dialectenquete. Men stuurde aan dialectsprekers verspreid over Nederland en Vlaanderen een lijst met standaardtaalwoorden, en vroeg hun achter deze woorden in te vullen welke woorden ze er in hun eigen dia­lect voor gebruikten. Dat leek een han­dige methode, maar later onderzoek heeft uitgewezen dat deze methode zeer foutengevoelig is: sommigen gaven de Standaardnederlandse vorm als antwoord omdat ze zich `netjes' wilden uitdrukken. Daarom ging men later al­gemene vragen formuleren, zoals "Hoe noemt men in uw dialect de nageboorte van het paard?"
Ook dergelijke meer ´open' vragen konden tot misverstanden leiden. Zo antwoordde een respondent op de vraag: "Hoe heet in uw dialect een con­cubine?" met: "Wij dorsen hier nog met de hand", en een andere respondent gaf als antwoord op de vraag welke schut­tingwoorden hij in zijn dialect kende: "Wij hebben hier geen schuttingen maar hagen." Om zulke misverstanden te voorkomen gingen taalkundigen in een latere periode op bezoek bij Informan­ten en stelden hun mondeling vragen over hun taalgebruik. De antwoorden namen ze op geluidsbanden op. Veel voorbeelden daarvan zijn inmiddels te beluisteren op de website van het Meer­tens Instituut ( www.meertens.knaw.nl/ soundbites ). Deze werkwijze was ech­ter zeer tijdrovend. Daarom is men er inmiddels toe overgegaan gerichte enquetes via internet uit te sturen.
■ NIEUWE VAKKEN

Dankzij al dat onderzoek kwam een massa nieuwe gegevens beschikbaar, die telkens iets duidelijk maakten over een bepaalde plaats in het land. Het lag dan ook voor de hand om die gegevens op een kaart te tekenen: op die manier krijg je een mooi overzicht van de verspreiding van een bepaald taalverschijn­sel. En zo leidden de dialectenquetes tot nieuwe vakken: de dialectgeografie en de dialectcartografie.
De eerste kaart van een Nederlands taalkundig verschijnsel werd in 1899 getekend door de taalkundige Jan te Winkel. Hij liet op een kaart zien hoe de lange aa in de dialecten in de ver­schillende delen van Nederland werd uitgesproken. Tegenwoordig tekenen we klankkaarten niet per klank maar per woord, omdat inmiddels is gebleken dat de verbreiding van een bepaalde klank in de dialecten per woord verschilt. Zo wordt de lange a van de Standaard­nederlandse woorden schaap en laten in dialecten op verschillende manieren uit­gesproken, bijvoorbeeld als ôô((schôôp, lôten), als èè (schèèp, lèten) of als ie (schiep, lieten). Maar dialecten die in het ene woord de ôô-klank gebruiken, doen dat niet per se ook in het andere woord: zo zegt men op de Veluwe bijvoorbeeld lôôten en schaap (en dus niet schôôp).

De kaart van Te Winkel ging over klanken. De eerste woordkaart werd in 1917 getekend, door Jos. Schrijnen op deze kaart, met de verschillende dialectbenamingen voor ´vlinder' in Neder­lands-Limburg, Zuidoost-Gelderland en. Oost-Brabant, kan men zien waar bij­voorbeeld pepel, kapel, roevogel, roepepel, zomervogel, snuffel, pannevogel en wiet­vogel werd gezegd. In 1920 tekende Schrijnen bovendien als eerste een kaart waarop hij het verlóóp van de dialect­grenzen (`isoglossen' in vakjargon) in Limburg vastlegde. Dat de eerste iso­glossenkaart juist voor Limburg is gete­kend, is niet zo vreemd: Limburg vormt een kruispunt van klankgrenzen. Door Limburg loopt de grens tussen ik en ich, tussen sl- en sjl- (sloon en sjloon voor `slaan'), en tussen de verkleinwoorduit­gangen -je en -sje (peurtje en peurtsje voor `poortje').
■ SYMBOLEN
Na deze incidentele kaarten werd het dialectonderzoek van en in Nederland en Vlaanderen grootscheeps aangepakt. Tussen 1925 en 1982 verschenen maar liefst zestien delen van de Reeks Neder­landse dialectatlassen. Elk deel had be­trekking op een bepaald Nederlands taalgebied, bijvoorbeeld Zuid-Oost­Vlaanderen. Voor iedere plaats werd op de kaart in fonetisch schrift de vorm ge­schreven die de informant had opgege­ven. Dergelijke kaarten geven weliswaar precies de vormvariatie aan, maar ze zijn zeer onoverzichtelijk omdat je niet in een oogopslag kunt zien waar een be­paalde vorm voorkomt.
Een cartografische vernieuwing vormde de Taalatlas van Noord- en Zuid­Nederland, waarvan tussen 1939 en 1972 negen afleveringen verschenen met im kaarten, voornamelijk woordkaarten. De kaarten van de Taalatlas bestrijken het hele Nederlandstalige gebied, waar­door de verbreiding van een verschijnsel direct duidelijk wordt. Belangrijker nog is dat op de kaarten niet langer woor­den of klanken zijn geschreven, maar in plaats daarvan symbolen zijn gestem­peld of gedrukt. Stel, de vraag is `Hoe noemt u in uw dialect een kies?', dan wordt het antwoord kies bijvoorbeeld aangegeven met een cirkel, en tand — want ook die variant komt voor — met een driehoekje. Kleine taalverschillen worden samengenomen: of iemand nu tand met een korte of lange a uitspreekt, het blijft een driehoek.
Hoewel een symbolenkaart dwingt tot een zekere vereenvoudiging van de gegevens, zijn er altijd taalkundigen die toch proberen zo veel mogelijk gedetail­leerde verschillen op de kaart weer te geven, bijvoorbeeld door bij elkaar be­horende verschijnselen met subtiele kleurnuances en verwanze symbolen van elkaar te onderscheiden. Zelfs zon­der kleurnuances kan door een te gede­tailleerde keuze van verschillende sym­bolen het voordeel van overzichtelijkheid van een symbolenkaart gemakke­lijk tenietgedaan worden. Dit blijkt uit de Morfologische atlas van de Nederlandse dialecten van het Meertens Instituut, waarop de werkwoordstam van de on­bepaalde wijs, de verleden tijd en het voltooid deelwoord van het werkwoord varen in de verschillende Nederlandse dialecten is getekend. Het aantal varia­belen is hier veel te groot voor een lees­baar kaartbeeld. Uit de kaart en legenda blijkt bijna alleen nog maar hoezeer deze werkwoordstijden van dialect tot dialect kunnen verschillen.
■VLAKKENKAARTEN

Het leven bestaat uit keuzes maken en dat geldt ook bij het tekenen van kaar­ten. In de Dialectatlas van het Nederlands die deze maand verschijnt, hebben wij ervoor gekozen de verspreiding van taalverschijnselen op de kaart te tonen aan de hand van kleurvlakken. Het na­deel van dergelijke `vlakkenkaarten' is dat die geen recht kunnen doen aan allerlei detailverschillen — maar dat is direct ook het voordeel ervan: vlakken­kaarten zijn uiterst overzichtelijk, zo blijkt uit de afgedrukte kaart van spij­kerbroek, die is getekend door Jan Stroop. En om toch iets uitgebreider in te gaan op dat nadeel: met een vlakken­kaart kan de suggestie gewekt worden dat iedereen in het gebied dat in een bepaalde kleur is getekend, een en de­zelfde taalvorm gebruikt. In de praktijk is dat dikwijls niet zo. Zo zegt natuurlijk niet iedere Rotterdammer bezjoer als af­scheidsgroet . Midden in een gekleurd gebied zullen de afwijkingen in taalgebruik meestal het kleinst zijn, terwijl er in het gebied dat direct grenst aan een ander gekleurd gebied meer variatie in taalge­bruik zal zijn. Maar een standaardvorm kan onverwacht overal opduiken. Overi­gens geldt hetzelfde voor symboolkaar­ten; als er voor een bepaalde plaats een symbool is ingetekend, betekent dat niets anders dan: de informant die wij toevallig in dit gebied hebben geraad­pleegd, gebruikt deze taalvorm. Er wordt geen uitspraak gedaan over wat zijn buurman zegt, of zijn echtgenote of (klein)kind. En het is heel goed denk­baar, met name in overgangsgebieden tussen twee taalverschijnselen, dat zo­wel zijn buurman als zijn echtgenote en zijn (klein)kind iets anders zeggen. le­dere kaart is een verbeelding van de werkelijkheid en in zekere zin is iedere kaart ook een versimpeling — zelfs een vervorming — van de werkelijkheid.
De laatste decennia wordt er geëxperimenteerd met alternatieve manieren om gegevens op een kaart weer te ge­ven door middel van moderne technie­ken. Zo worden er kaarten vervaardigd die de dialectgegevens met behulp van het computerprogramma Google Earth heel eigentijds op een lucht- of satelliet­foto projecteren. Ook het berekenen van de ligging van de vlakken en grenzen op een kaart kan tegenwoordig via wiskun­dige computermodellen. Van al dit soort kaarten worden in de Dialectatlas voor­beelden gegeven. Maar daarvoor moet u de atlas zelf maar raadplegen. ■
Dialectatlas van het Nederlands van Nicoline van der Sijs e.a. is een uitgave van Bert Bakker (gebonden, 360 blz., introductieprijs €39,95,

Dit artikel is verschenen in ´Onze Taal´, bladzijde 246 en 247. Onze Taal is een stichting ter bevordering van het gebruik van het Nederlands, Raamweg 1a, 2596 HL, Den Haag, info@onzetaal.nl
==========================================================================================

Er schweigt, wenn er spricht,

Roel Vershuren

Nichts als die Welt

Georg Brunold

Belgistan,

el laboratorio nationanlista

Jacobo de Regoyos

 

Dialectenatlas van het Nederlands,

Nicoline van der Sijs

Vertelsels van een nar

Jules van Bocholt

Taalverloedering

Van Oosterdorp

Nichts als die Welt

Georg Brunold,

Galiani Verlag Berlin, Berlin 2009

ISBN-10 3869710012

Gebonden, 684 bladzijden, € 85

 

Het mooiste boek aller tijden: een liefdesverklaring aan het gedrukte woord.

Herinnert u zich “In Europa” nog van Geert Mak, de kanjer van 853 bladzijden die ik in een lange adem verorberd heb, gewoon omdat destijds mijn honger zo groot was? Ik gebruik het nog bijna dagelijks, sommige boeken worden naslagwerken waarnaar men graag teruggrijpt als de schrijversnood hoog is en details ontbreken. Of misschien ging uw voorkeur uit naar James Joyce’s “Ulysses”, die ik mondjesmaat geproefd heb tot het einde, in blijvende bewondering voor wat zo alles op een dag kan gebeuren. Albert Fösling’s “Albert Einstein” is ook zo’n turf, 882 bladzijden puur genieten, dagen lang, nachten lang, het werd een soort ‘overnachten’ op den duur, het genie had zo zijn verdiensten. Of de 752 bladzijden pure Vlaamse poëzie in “Hotel New Flandres”, stof die je beter geduldig tot je neemt, indigestie ligt met poëzie altijd op de loer.

Onlangs verscheen “Nichts als die Welt” van Georg Brunold, 681 bladzijden puur genot. Een adembenemend werk samengesteld uit 2500 jaar journalistiek. We kennen de klaagzang: journalistiek, vooral op gedrukt papier, is de ondergang nabij. De nieuwe mens, de ‘burgerjournalist’ wil bloggen, twitteren, scrollen, en liefst gratis. De kranten die de bloggers nodig hebben om hun online pagina’s te vullen beseffen plots ook dat ze lezers hebben die snel reageren, meestal gefrustreerd, vaak scheldend, meestal slecht geschreven en absoluut zoniet achterlijk dan toch minachtend geformuleerd, typen kan ondertussen iedereen. En de redacties staan daar redelijk machteloos tegenover, hebben de juiste instelling nog niet gevonden hoe met het groeiend aantal reacties om te gaan. Persvrijheid en vrije meningsuiting, weet je wel?

Als we de massa mogen geloven zijn boeken en kranten nog slechts een anachronisme, zoals de beroepsreporter, die papier vult met goed gewogen en perfect geformuleerde beschouwingen. En dan verschijnt zo’n vijfentachtig Euro duur boek op de markt en ondergraaft die stelling in seconden. Het ding weegt meer dan een laptop, het is in een hand niet te lezen. Het is zo’n meesterwerk dat je zorgvuldig voor je op tafel moet leggen en met handschoenen van getwijnd garen voorzichtig opendoet, zo mooi is het uitgegeven. Het is een ode aan het gedrukte boek, een reactie tegen de dreiging van dematerialisatie in de datazee. Tegen de ontstoffelijking van het woord op papier. Honderdvierenzestig reportages en ooggetuigenverslagen uit 2500 jaar journalistiek, of wat daar in die tijd voor doorging. Reisverhalen, stadsreportages, ooggetuigenverslagen en oorlogsverslaggeving. Hippocrates beschrijft hoe zieken sterven (“Giftige urine vloeide in stromen”), Niketas Choniates beschrijft het bloedbad dat de kruisvaarders in Konstantinopel aanrichten (“Het onheil droop van ieders hoofd”). Columbus roept om twee uur ’s morgens “Land in zicht!” terwijl Stendhal bij de grote brand in Moskou over totaal bezopen mensen struikelt die in slaap gevallen zijn. Daniel Defoe beleeft de pest in Londen, Simenon loopt Hitler in een lift tegen het lijf en Timothy Garton Ash is een van de velen die in 1989 De Muur hebben zien vallen.

De reis begint met Herodes die 2500 jaar geleden Egypte bezocht. Hij beschrijft hoe dat ‘gecultiveerd volkje’ kookt, ploegt, pist (“De vrouwen rechtstaand”) en krokodillen vangt (“met een schreiend varken dat de dieren naar de oever lokt waar men hen dan leem in de ogen wrijft”).

De jonge Berlijnse uitgever Galiani brengt met “Nichts als die Welt” een ode aan de sociale reportage, het geschreven woord maar dan in al haar grootsheid, zinnen waaraan werd gewerkt, geschrapt en die moeizaam maar zekerder opnieuw werden opgebouwd. De harde labeur van het echte schrijven, de echte journalistiek, de reportage die ontstaat vanuit het perspectief van de schrijver die zich als persoon nog durft te mengen in zijn verhaal, als ooggetuige, die ook de waarneming nog toelaat naast de feiten, waar de subjectiviteit van de man met de pen onvoorwaardelijk deel uitmaakt van het verslag.

Een kanon van een boek, monumentaal, van Thykydides in 429 voor Christus, over Perikles, via Plinius, Lampert von Hersfeld, Claude Levi-Strauss tot een fotoreportage over de verslagen bankiers van het failliete Lehman Brothers in 2008. Reportages met een lexicaal karakter, die de lezer intellectueel bezatten.

Mocht u dit boek aan iemand willen schenken waarvan u weet dat die persoon/klant/vriend het zou kunnen waarderen, één goede raad: lees het eerst zelf, de ontvanger zal er zeker regelmatig naar verwijzen, en dan ben je beter voorbereid.

Met dank aan de echte journalisten van de laatste tweeënhalf millennia.

 

Roel Verschueren

 

==========================================================================================
Vertelsels van een nar, Jules van Bocholt,

Met tekeningen van Joris Snaet
ISBN 978-90-209-9216-8
Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2010


Mooi uitgegeven, met vele cartoons en gedrukt op luxe papier. De auteur Jules Van Bocholt houdt in  ´Vertelsels van een nar´allereerst de Vlamingen een spiegel voor. Alles met een beminnelijke glimlach maar desalniettemin bevat het boek ook harde waarheden.; zoals onze chaotische en surrealistische manier van organiseren, onze individualistische trekjes, gebrek aan re spekt voor ons cultureel erfgoed, onze onverbeterlijke  tendens om voortdurend rond de hete brei te draaien enzovoorts. Meestal is het wel een grappig boek, af en toe langdradig door de vele opsommingen maar echt nieuwe inzichten of originele invalshoeken heb ik niet kunnen ontdekken in de vele karaktereigenschappen die de Vlamingen worden toebedeeld. Het boek is dus in zekere in een feest der herkenning van wat we al wisten, maar dan mooi onder woorden gebracht en met vele voorbeelden om de aangehaalde stellingen te onderbouwen. Het is dus een uitstekende gelegenheid tot reflectie, iets wat helemaal past binnen de kerstsfeer van dit ogenblik.

Het laatste deel van het boek gaat over de relatie van de Vlamingen tot de Anderen in de brede zin van het woord. Zo komen de ´Hollanders´, de Walen, de Brusselaars, de inwoners van de oost-kantons aan de beurt. De auteur verschuilt zich soms achter ´proofreaders´om een gedeelde verantwoordelijkheid te suggereren, maar naar mijn gevoel leunt hij echter te veel op clichés en ontbreekt hier een origineel inzicht, gebaseerd op eigen onderzoek of ervaring. In het bijzonder de ´Hollanders´, zoals de auteur de Nederlanders betitelt, komen er tamelijk slecht uit, of ten minste de minder goede eigenschappen worden dik in de verf gezet.

De analyse van de situatie in Wallonie was voor mij echter een revelatie, en hopelijk komt deze tekst vele Waalse politici onder de aandacht  en zet het hun aan tot nadenken. Terecht beschrijft de auteur de situatie in Brussel en de relatie met de Brusselaars als het centale tema van de Belgische gordiaanse knoop.

Kortom, een mooi uitgegeven en zeker lezenswaardig boek, een ideaal kerstgeschenk voor de lezer, geïnteresseerd in de actuele Belgische situatie

Wim Schols
==========================================================================================
TAALVERLOEDERING
Een hoorcollege over de veranderingen in het Nederlands in de 21e eeuw
Door Marc van Oostendorp

Behalve de standaardtaal worden er in Nederland nog duizenden andere soorten Nederlands gesproken – de oude dialecten, de nieuwe straattaal, sms- en chat-taal en veel meer. Hoe komt het dat onze taal voortdurend aan het veranderen is? Wat voor soorten Nederlands zijn er? Is het niet verschrikkelijk onhandig voor de communicatie dat iedereen net een beetje anders praat? En moeten we ons er zorgen over maken over, of juist verheugen in de vitaliteit van onze taal? Marc van Oostendorp behandelt in zijn college de geschiedenis van de Nederlandse taal.

Dit hoorcollege wordt voor het eerst voorgesteld als cursus en nadien verkrijgbaar op audio CD. Na het college zijn de CD´s te koop in de boekhandel of te bestellen bij NRC handelsblad.



Data van het hoorcollege: 16 en 23 februari, 8 en 15 maart
Locatie: Lipsiusgebouw van de Universiteit Leiden  (Cleveringaplaats 1)
Aanvang: 19.30 uur

 
==========================================================================================